Samenvatting

Mijn interesse gaat uit naar de verhouding tussen kunst en techniek, waarbij ik uitga van de intuïtie dat in de hedendaagse techniek het oorspronkelijke kunstkarakter wordt geherintroduceerd.

Subject en object
In de moderne tijd zien we, in de traditie van Descartes, Locke en Leibniz, dat de domeinen van het goede, het schone en het ware van elkaar los raken. Waar in vroeger tijden deze drie elementen een fundamentele eenheid vormden, worden dit sinds de zeventiende eeuw drie losstaande kennisdomeinen: ethiek gaat over het goede, esthetiek over het schone en alleen (natuur)wetenschap kan aanspraak maken op het ware. De natuurwetenschap heeft, zeker nadat dit in de negentiende eeuw instrumenteel gekoppeld is aan de technologie, onze wereld behoorlijk veranderd – van stoomtrein tot computer.

Een gevolg van deze ontwikkeling is dat we het natuurwetenschappelijk vocabulaire gaan inzetten op alle domeinen van het alledaagse leven. Kwantificeerbaarheid, herhaalbaarheid en objectiviteit zijn gaan gelden als enige garanties voor waarheid. Zo moet men zich in discussies ‘aan de feiten houden’ en is een typering van een overweging als ’emotioneel’ voldoende om deze als irrelevant terzijde te schuiven. Elk aspect van het dagelijks leven wordt onderworpen aan metingen en analyses, elk ding moet zich voegen naar kwantificeerbaarheid en objectiveerbaarheid (met als voorlopig dieptepunt het fenomeen van quantified self).

Deze ontwikkeling is een radicalisering van het object-subject denken dat bij Descartes zijn intrede heeft gedaan. Zijn beroemde ‘ego cogito’ maakt van de mens een ‘denkend ding’, een subject dat tegenover een door hem waargenomen object staat. Descartes introduceert een kloof tussen de mens en de wereld, en de hele westerse filosofie staat sindsdien in het teken van het overbruggen van deze kloof.

Heideggers begrip van wereld
Het is Heidegger geweest die deze situatie het scherpst heeft overzien en geanalyseerd. Hij stelt dat de ‘ouden’, de Grieken of misschien de Middeleeuwers, zich niet tegenover de wereld zagen, maar daar een fundamentele eenheid mee vormden. Zij waren nog niet (zoals wij) bezig met het meten en analyseren van de functionaliteit van de akker om deze zo effectief mogelijk vrucht te doen dragen; voor hen stond de akker nog in het teken van ‘verzorgen’: door de respectvolle omgang met het akker, het wederzijds begrip tussen boer en akker, droeg deze vrucht. Waar wij de akker forceren om het koren te produceren, kwam dit bij de ouden door het respect tevoorschijn. Heidegger kenmerkt de moderne techniek dan ook als ‘opvorderend’.

Fundamenteel in Heideggers analyse is zijn begrip van wereld. Hij ziet de wereld als een openheid die ontstaat doordat wij mensen op een bekwame manier omgaan met onze werktuigen. Wanneer ik kan fietsen, ligt de weg voor mij open. Als ik ga koken, openen zich mogelijkheden in de keuken en vertonen de messen en de ingrediënten zich in hun dienstbaarheid aan het gerecht. Dit alles hangt voor hem samen met de rust waardoor de dingen kunnen zijn wat ze zijn. Terwijl ik kook heb ik geen abstracte, kwantificeerbare blik op mijn messen en pannen, maar rust ik samen met hen in een betekenisvolle eenheid waardoor de maaltijd tevoorschijn kan komen.

Het kwantificeerbare, wetenschappelijke wereldbeeld verstoort deze rust. Zij gunt de dingen hun ding-zijn niet, maar reduceert ze tot meetbare grootheden, tot abstracte entiteiten die een puur functionalistisch doel nastreven. Omdat rust en wereld bij Heidegger zo samenhangen, is zijn conclusie dat deze manier van kijken naar de dingen onze wereld onbewoonbaar maakt.

Hedendaagse techniek
Van belang in Heideggers visie op technologie is dat het opvorderen gebeurt op basis van functionaliteit: de technologische artefacten worden dusdanig ontwerpen en geproduceerd dat ze hun functie zo efficiënt mogelijk uitvoeren. Om dit voor elkaar te krijgen is de analytische objectieve blik noodzakelijk. Dit maakt de artefacten over het algemeen abstract en complex en alleen hanteerbaar (of onderhoudbaar) door experts.

We zien evenwel in de hedendaagse samenleving een verandering in deze situatie. Technologische artefacten zijn zo alomtegenwoordig, gebruikersvriendelijk en betrouwbaar, dat het puur functionele aspect op de achtergrond is geraakt. Overwegingen als schoonheid, groepsdruk over het goede gevoel zijn in toenemende mate doorslaggevend om een artefact aan te schaffen of te gebruiken. Natuurlijk doen de dingen wat ze moeten doen, maar het gaat om meer. Het moet wel ‘bij me passen’.

Mijn onderzoek richt zich op deze ontwikkeling: dat de miniaturisering en alomtegenwoordigheid van de hedendaagse technologische artefacten tot gevolg heeft dat hierin het ware, het goede en het schone opnieuw samenkomen; dat de rust die is verstoord door stoommachines en andere grote en complexe artefacten kan worden hersteld door onze hedendaagse machines; dat de hedendaagse techniek, kortom, weer in het teken staat van ‘tevoorschijn komen’ en minder in het teken van ‘opvorderen’.