Eén van de meest succesvolle campagnes van Stichting Wakker Dier is de actie die gericht is tegen het kweken van vleeskuikens die zó volgepropt worden met proteïne en water dat ze binnen zes weken opgefokt worden tot een water- en vleesmassa van tweeënhalve kilo. Met deze actie, die in 2012 is begonnen (en nog steeds doorloopt – helaas is de noodzaak hiervoor nog niet verdwenen), maakte het Nederlandse publiek in groten getale kennis met de term ‘plofkip’: een neologisme dat speciaal om deze kip aan te duiden werd gemunt door Wouter Klootwijk en dat in datzelfde jaar gekozen werd tot woord van het jaar.

wakkerdier_plofkipHet voorvoegsel ‘plof-’ duikt inmiddels in verschillende andere samenstellingen op. Zo werd in de Staten van Friesland al gesproken over ‘plofgras’ (gedefinieerd als ‘eenzijdig raaigras, zo snel mogelijk gegroeid door toevoeging van kunstmest’) en heeft bakker Edwin Klaasen (op pagina 182 van het boekje ‘Weg van de supermarkt’) het over ‘plofbrood’ (‘brood dat niet de tijd krijgt om te rijzen en daarom wordt voorzien van fytinezuur en verschillende E-nummers’) – een term die inmiddels door het bakkersgilde is overgenomen. En wie even op twitter zoekt, komt als snel op topics als plofkaas, plofvlees, of zelfs plofhuizen.

Wanneer iets ‘plof’ is, wordt schijnbaar bedoeld dat iets, door gebruik te maken van allerlei technologische trucjes en toevoegingen, te snel te groot is geworden. Het ‘plof’ lijkt te duiden op een proces dat louter gericht is op productie, efficiëntie en geldelijk gewin. Het ziet daarbij af van eventuele intrinsieke of natuurlijke waarden en verhoudingen, en het resultaat lijkt altijd slechts een afspiegeling van de niet-plofversie te zijn: het vlees van de plofkip is ‘glazig wit en valt van de dunne botten wanneer men ze langer dan de noodzakelijke tijd laat garen. Stoven is onmogelijk. Het vel – normaal het lekkerste deel van een kip – wordt niet krokant en verspreidt helemaal geen geur. Het borstvlees stinkt.’ zoals deze culinaire schrijver meldt. ‘Plof’ leidt tot ongedefinieerde, smakeloze maar goedkope eenheidsworst.

Het bestaan van plofversies van dingen lijkt op een bepaalde manier te appelleren aan het technologische wereldbeeld in onze alledaagse omgeving. Het zijn immers technologische middelen die ingezet worden om deze plofversies tot stand te laten komen – sterker: de hele gedachte van de mogelijkheid van zo’n plofversie überhaupt wordt ingegeven door een technologische blik op de wereld. Een proces (het kweken van kippen, het maken van brood) wordt geanalyseerd en daar waar mogelijk worden artificiële, technische hulpmiddelen ingezet om dit proces in zo’n kort mogelijke tijd met zo min mogelijk arbeid en grondstoffen te voltooien.

Het is dit technologisch ingrijpen in processen waar Heidegger op doelt wanneer hij het wezen van de moderne techniek typeert als ‘opvorderend ontbergen’ (zie deze blog). De techniek houdt de processen in zijn greep en dwingt af dat deze zich zo efficiënt (snel, goedkoop, eenvoudig) mogelijk voltooien. Zonder al te veel overdrijving lijkt dus gesteld te kunnen worden dat de technologie als ‘opvorderend ontbergen’ tot uiting komt in het inmiddels alledaagse voorzetsel ‘plof’.

Momenteel zien we echter een tendens die zich afkeert van deze technologisch gefabriceerde dingen. Mede dankzij Wakker Dier gaan meer en meer mensen over tot de aanschaf van ‘echte’ kippen, hele volksstammen zweren de fabriekskaas af en gaan over tot ‘echte’ kaas, en de slowfood-beweging is nog steeds met haar opmars bezig. Het lijkt erop dat de samenleving bezig is met een ‘ont-ploffing’.

Betekent dit dan ook dat het wezen van de moderne techniek aan het veranderen is? Als ‘plof’ de omschrijving van de techniek als ‘opvorderend ontbergen’ is, wat correspondeert er dan met de ont-ploffing? Als we ons meer en meer gaan richten op ‘echte’ dingen (wat dat dan ook moge zijn – hierover in een andere blog meer), gaan we dan techniek ook meer en meer zien als een hulpmiddel om dit ‘echte’ tevoorschijn te laten komen? Niet langer onderwerping, maar verzorging…?

En de plofkip? Wat moeten we daar uiteindelijk mee? Volgens Klootwijk in Met het Oog op Morgen is dit “een raar gedrocht dat je maar het beste zo snel mogelijk kunt opeten.” In ieder geval moeten we hem niet ouder laten worden dan de zes weken waarop hij gekweekt is, want dat wordt “een ramp”. Misschien is dit één van de weinige soorten die wij als mensen maar beter kunnen laten uitsterven. Het was Nietzsche die al heeft aangegeven dat dat waarschijnlijk het beste is:

Das Allerbeste ist für dich gänzlich unerreichbar: nicht geboren zu sein, nicht zu sein, nichts zu sein. Das Zweitbeste aber ist für dich – bald zu sterben`. (GT 3).