De mechanisering van de wereld
De toename van de invloed van machines in ons dagelijks leven is het gevolg van het technologische wereldbeeld: het wereldbeeld dat de natuur dwingt zijn geheimen prijs te geven en waarbinnen deze geheimen gebruikt worden voor de domesticatie van het noodlot (de Mul 1994). Waar de oude Grieken nog vier oorzaken onderscheiden, is in dit wereldbeeld alles gereduceerd tot een mechanische werkoorzaak (Visser 2014, p. 57-58; zie ook deze blog).

Dit technologische wereldbeeld heeft de vorm van een materiële implicatie: ‘Als A dan altijd B’ – als het regent, dan worden altijd de straten nat. Het is de taak van de moderne wetenschap om de minimale eigenschappen van de antecedent in deze relatie te identificeren waaronder de consequent optreedt. Op dat moment weten we hoe het werkt; we beschikken dan over de informatie die deze implicatie verklaart. En als we weten hoe iets werkt, kunnen we het (in de regel) ook automatiseren.

Omdat machines gemaakt worden op basis van heel specifieke informatie – de minimale voorwaarden belichamen waaronder ze hun activiteiten kunnen ontplooien – zijn ze in de regel nauwkeuriger, sneller en efficiënter dan mensen. Machines hebben geen last van katers, kennen geen vermoeidheid en worden niet afgeleid door langslopende mooie vrouwen. De machine doet wat hij moet doen en niet meer of minder dan dat. Om deze redenen worden handelingen die geautomatiseerd kunnen worden ook vrijwel altijd direct geautomatiseerd.

Het is verhelderend om te zien hoe dit proces bijvoorbeeld verlopen is bij de overgang van telefonistes naar geautomatiseerde telefooncentrales. Zoals valt te verwachten is een geautomatiseerd systeem minder arbeidsintensief, maar het soort arbeid verandert eveneens. Het gaat niet langer over het daadwerkelijk tot stand brengen van de telefoonverbindingen, maar juist om het managen van de machines:

La séquence mécanisation-automatisation du téléphone a pour conséquence, comme dans d’autres industries, une forte domination du personnel. En manuel, il fallait environ une opératrice pour 70 abonnés. En automatique, on n’avait plus besoin d’opératrices mais la maintenance devenait plus important. Les premiers systèmes électromécaniques nécessitaient un agent pour 1000 lignes. (Flichy 1997, p. 167)

Aan de hand van dit voorbeeld kan aannemelijk gemaakt worden dat met de toenemende automatisering en mechanisering de rol van de mens verandert.

telefonistesÄkta Människor
Enige tijd geleden was de Zweedse serie Äkta Människor ook in Nederland erg populair, waar deze serie om onbegrijpelijke redenen onder de titel Real Humans werd uitgezonden. Afgezien van de vraag of het mogelijk is om artefacten te maken die zich in niets onderscheiden van mensen en toch geen mensen zijn (persoonlijk heb ik altijd een aversie gehad tegen een dergelijke essentiedenken dat bijvoorbeeld ook in het karakter van Commander Data uit Star Trek naar voren komt), drukt deze serie ons hedendaagse mensen wel met de neus op een behoorlijk feit: het verdwijnen van de mens.

MänniskorSteeds meer van onze dagelijkse activiteiten worden overgenomen of op zijn minst gemedieerd door automaten, van eenvoudige zaken als het kopen van een treinkaartje bij de automaat tot meer complexe aangelegenheden zoals autorijden (zie ook deze blog). Omdat we heden ten dage de neiging hebben alles als informatie te beschouwen (de Mul 2010, zie deze blog), zien we ook alles als onderdeel van de materiële implicatie die het moderne, technologische wereldbeeld kenmerkt. Alles wordt, kortom, beheersbaar en kan daardoor geautomatiseerd worden. Zelfs een fundamenteel biologische bouwsteen als een cel wordt gezien als een brok informatie die kan worden gemanipuleerd en waarvan de productie uiteindelijk kan worden geautomatiseerd (Mul 2014, p.138).

Als gevolg van de automatisering van de telefooncentrale verdween de telefoniste; als gevolg van de zelfrijdende auto zal de bestuurder verdwijnen; maar wat als het inderdaad zo ver komt dat er robotten komen zoals die ons in Äkta Människor worden voorgesteld? Welke rol blijft kunnen mensen vervullen, wanneer al hun activiteiten zijn geautomatiseerd? Zijn we inderdaad, zoals Jos de Mul aanvoert, bezig met onze eigen biologische nakomelingen te creëren; een homo sapiens 3.0?

Tot slot
In Zum Planetarium, het laatste opstel uit zijn Einbahnstraße, beschrijft Walter Benjamin dat de mens als soort al tienduizenden jaren aan het einde staan van hun ontwikkeling, maar dat de mensheid als soort nog maar net aan zijn ontwikkeling begonnen is:

[Die Menschheit] organiseert in der Technik sich eine Physis, in welcher ihr Kontakt mit dem Kosmos sich neu und anders bildet als in Völkern und Familien. (p. 125)

De mens als biologische soort is de voorbije paar tienduizenden jaren niet wezenlijk veranderd, maar de afgelopen twee eeuwen zijn we wel een nieuwe evolutionaire weg ingeslagen, waarvan de toekomst onduidelijk en onzeker is (zie ook Visser 1998, p.317).

In 2006 verbleef Ilja Pfeijffer een half jaar in een vroege vorm van die toekomst. Als correspondent van een mogelijke nieuwe verblijfplaats van de mens deed hij gedurende die tijd verslag van zijn ervaringen in de wereld van Second Life. Eén van dingen die hem daar opvielen was het bestaan van kunstwerken die een kritische reflectie vormden op juist die wereld. Zo is er in de stad Tompson een Second Louvre te vinden, waar onder andere het onderstaande werk van Kharis Forti te zien is (zie ook deze link):

Second_LouvreDit werk geeft de ontwikkeling weer van prim (de fundamentele bouwstenen van alles in Second Life) naar een complete avatar – de bewoner van Second Life. Het symboliseert in die zin wellicht de beginpositie waarin we ons nu bevinden:

De aap in je kent nog de geur van nat gras. Maar in je tweede leven is geen aap meer te bekennen. […] Terwijl ik dit bedacht, ging een andere bezoeker rechts van de beeldengroep staan om te poseren voor een foto waarop hij het laatste stadium van de evolutie vormde. Dat is niet het punt, dacht ik. Je bent eerder het begin. Alles begint nog maar pas. Alles staat nog maar net op het punt van beginnen. (Pfeijffer 2007, p.56)

Update 19 mei 2017
In een interview in NRC beschrijft Robbert Dijkgraaf een aardig beeld wat wel bij dit verhaal past:

Machines kunnen door kunstmatige intelligentie en robotica zelf leren, we kunnen DNA schrijven, en materialen atoom voor atoom opbouwen. En dat zal allemaal samenvloeien. Ik voel dat we door een muizengaatje gaan en in een enorm veel grotere kamer terecht komen met ontzettend veel meer technologische mogelijkheden, die we nu moeilijk kunnen voorzien.

En ik kwam onlangs op het gedicht Homonisatie van de Tjechische dichter Miroslav Holub, waarvan de laatste twee strofes ook resoneren met dit onderwerp:

Lucy, uitgegraven,
aangevuld met gips deels verrezen,
vergeten aftelversje wie-niet-weg-is-is-gezien
wacht verder.

Net als wij mischien, al is er niet genoeg gips.
Net als wij misschien, met al onze pliocene wanhoop
aan de oever van een meer.
Misschien vinden ze ons,
als er echte mensen zijn.

Verder lezen
Benjamin, W. (1955), Einbahnstraße. Frankfurt aM: Suhrkamp Verlag.
Flichy, P. (1997), Une histoire de la communication moderne. Espace public et privée. Paris: La Découverte/Poche.
Mul, J. de (1994), De domesticatie van het noodlot. In P. van Tongeren (red.), Het lot in eigen hand. Reflecties op de betekenis van het (nood)lot in onze cultuur. Baarn, pp.34-75.
Mul, J. de (2010), Cyberspace Odyssee. Kampen: Klement
Mul, J. de (2014), Kunstmatig van nature. Onderweg naar homo sapiens 3.0. Uitgave van Stichting Maand van de Filosofie en Jos de Mul.
Pfeijffer, I.L. (2007), Second Life. Verhalen en reportages uit een tweede leven. Amsterdam: Arbeiderspers.
Visser, G.T.M. (1998), De druk van de beleving. Filosofie en kunst in een domein van overgang en ondergang. Nijmegen: SUN