Als reactie op het nieuwe boek van Frans de Waal betoogden Johan Bolhuis en Marcus Düwell op 24 april in Trouw dat onze moraal geen evolutionaire oorsprong kan hebben. De moraal, zo lijken zij te betogen, hangt samen met de uniciteit van de menselijke taal. In dit opiniestuk, dat een week later in Trouw verscheen, betoog ik dat ook de taal niet de fundering van onze moraal kan zijn.


De evolutie leert ons nog geen moraal, zo betogen Bolhuis en Düwell in de Trouw van afgelopen zaterdag. Moreel gedrag, zo lijken zij te betogen, hangt samen met cultuur en cultuur hangt weer samen met taal.

Als enige soort, zo beginnen zij hun artikel, hebben we taal, en moraal. Zo is de rolverdeling tussen man en vrouw in Japan heel anders dan in de Verenigde staten, en wordt de registratie van kindermishandeling door stiefouders beïnvloed door vooroordelen van de autoriteiten van het land waarin dit plaatsvindt. Blijkbaar hebben specifieke gedragingen geen fundering in de biologische afkomst van de mens – als dat wel zo zou zijn zouden immers deze culturele verschillen niet bestaan.

Sociaal Contract
Het probleem met deze voorbeelden is echter dat de fundering hiervan evenmin in taal gevonden kan worden. De verhouding tussen de seksen is noch in Japan noch in de Verenigde Staten expliciet in de vorm van een tekst vastgelegd; er is geen geschrift dat de vooroordelen van de ambtenaren beschrijft aan de hand waarvan zij seksueel misbruik wel of niet registreren. Het sociaal contract is geen talig contract.

Dat wij als enige soort over taal beschikken en kunnen nadenken en debatteren over bepaalde culturele gedragingen wordt door niemand ontkent – ook door Frans de Waal niet die dit, in de NRC van dezelfde dag, juist expliciet onderkent. Maar het in taal expliciet omschrijven van die gedragingen, gebeurt altijd pas in tweede instantie. Wat men doet – de afstand die men houdt tot degene voor je in de rij, de stilte die men betracht bij een begrafenis, de blikken die men wisselt met passanten op straat – is altijd impliciet aanwezig. Dit is wat Martin Heidegger met ‘das Man’ heeft aangeduid en wat zich onttrekt aan volledig talige beschrijving: elke poging dit in regels te vatten resulteert in een abstractie en loopt achter de feiten aan.

Zo zijn er bijvoorbeeld grammaticale regels die voorschrijven hoe taal zou moeten worden gebruikt, maar deze zullen moeten worden bijgesteld wanneer iedereen ‘groter als’ zegt. De mobiele telefoon vormt een ander voorbeeld. Toen deze net in opkomst kwam, waren er mensen die regels voor het gebruik hiervan wilde opstellen – regels die er nooit zijn gekomen en inmiddels door de dagelijkse praktijk overbodig zijn geworden. Niemand schrijft ons voor hoe hard we in een restaurant moeten praten of hoe we met de serveersters omgaan, en toch gaat het meestal gewoon goed. Nietzsche voelde al aan dat het grootste deel van ons dagelijks leven zich buiten ons bewustzijn afspeelt.

Legitimatie
Het gevaar waar Bolhuis en Düwell op wijzen is dat mensen legitimatie van hun gedrag gaan zoeken in de oorsprong van ons als biologische soort – iets waar G.E. Moore al aan het begin van de vorige eeuw de term ‘naturalistic fallacy’ voor introduceerde. Ik vermoed niet dat De Waal zich hier aan schuldig maakt. Het belang van De Waals onderzoek is dat niet alleen de mens is in staat zijn biologische drijfveren te onderdrukken teneinde een harmonieuze samenleving tot stand te brengen. Het vormt een les in nederigheid: we zijn misschien wel de enige dieren met taal, maar we zijn zeker niet de enige die kunnen lijden en liefhebben en in ons gedrag het eerste proberen te vermijden en het laatste nastreven.

trouw_30apr

Foto van de Trouw met dit artikel.

Download de pdf van dit artikel in Trouw