Wie de moderne tijd (de exacte bepaling daarvan is voor dit verhaal niet zo van belang, maar laten we voor het gemak aannemen dat die begonnen is rond het midden van de negentiende eeuw) aandachtig bestudeert, krijgt al snel de indruk dat mobiliteit hierin een sleutelrol speelt. Mobiliteit van mensen die snel van A naar B willen reizen, mobiliteit van geld en goederen die in een globale markt zijn ingebed, mobiliteit van sociale groepen die voor zichzelf een andere positie opeisen, of mobiliteit van informatie die inmiddels met lichtsnelheid in de huiskamers aanwezig is. Vergelijkbare observaties dwongen Ernst Jünger al in 1931 te concluderen dat mobiliteit het wezen is van de moderne tijd (DB, p.306).

Zigmunt Bauman heeft al aangetoond dat de mate en snelheid waarin mensen zich fysiek voortbewegen een onderscheidend criterium vormt voor macht en rijkdom: het zijn de mensen die vaker en sneller bewegen die door ons op een voetstuk worden geplaatst, die iconisch zijn voor de moderne tijd en wier leven nastrevenswaardig lijkt (EV, p.356). Denk alleen maar aan de journalistieke term die initieel geïntroduceerd werd om beroemde en rijke mensen aan te duiden: jetset. Inmiddels is het, vooral in de management-wereld, bon ton om op te scheppen over de hoeveelheid reizen die je voor je werk moet ondernemen. Een man van de wereld zijn betekent: veel onderweg zijn.

Ook heden ten dage is mobiliteit (beweging) een essentieel kenmerk van onze wereld. Hierbij gaat het echter misschien niet meer, of niet meer alleen, om het overbruggen van fysieke afstanden. Bewegen is hier het zich bewegen tussen verschillende media, informatiebronnen of belevenissen. De moderne mens beweegt zich continu tussen diverse modi van ervaringen opdoen en van kennis uitwisselen. Net als bij het fysieke verplaatsen impliceert deze vorm van bewegen een scheiding tussen mensen op basis van snelheid; tussen wat Peter Sloterdijk inhalers en ingehaalden noemt (KP, p.83)

Enerzijds zijn er de mensen die zich de hele dag (of langer) op één enkel ding kunnen concentreren. Als het bekende stereotype van de autonome kunstenaar zitten zij in een mentale cocon, afgesloten van de rest van de wereld, te studeren, na te denken, te werken of wat hun bezigheid maar is. Hun idee van waarheidsvinding en betekenis geven bestaat uit het leveren van een inspanning op het gebied van tijd, geduld en toewijding. Op hun gebied gaan zij mentaal verticaal de diepte in (B, p.122).

Aan de andere kant zijn er mensen die continu geconfronteerd worden met nieuwe indrukken, nieuwe mogelijkheden, nieuwe en andere vormen van media en kennisvergaring. Mensen die, als zij te lang bij één aspect van de wereld zouden blijven stilstaan, de aansluiting met de rest van hun wereld zouden missen; hun wereld die immers maar voortraast. Zij vinden waarheid en betekenis niet in de diepgang, maar in het continu vergaren van stukjes wereld door gebruik te maken van verschillende middelen. Zij voelen zich juist thuis bij een horizontale verbreding.

Deze laatste groep mensen, die door Alessandro Baricco met barbaren wordt aangeduid, verkeert in een continue reis op volle snelheid over het oppervlak van de wereld op zoek naar een profiel van een baan die ze vervolgens ervaring (esperienza) noemen (B, p.141). Deze groep is continu op zoek naar nieuwe ervaringen, nieuwe belevenissen. Hun kennis is geen kennis van de diepte, maar van sequenties (sequenze); veel verschillende manieren om tegen een probleem aan te kijken, geen individuele maar gedeelde kennis, geen eenzijdige gerichtheid op één enkele activiteit maar een continu zoeken naar nieuwe ervaringen.

De relatieve onrust die spreekt uit de handelswijze van de moderne mens wordt al door Walter Benjamin gepreludeerd. Hij heeft het al over de moderne stedeling die continu gebombardeerd wordt met indrukken en belevenissen: de ervaring van de werkelijkheid in het moderne leven er één van niet aflatende shocks geworden (DB, pp.358-359). Voor hem was het de film die het beste aan deze shockervaringen beantwoordde (DB, pp.347-348). In een voetnoot in zijn Kunstwerkopstel stelt hij vast dat als gevolg van het opkomen van de film diepgaande veranderingen in het menselijk perceptieapparaat plaatsvinden (KZTR, p.44n29).

Een dergelijke verandering in het perceptieapparaat vindt ook plaats bij de barbaren van Baricco. Hun gerichtheid op horizontale beweging vereist een nieuwe manier van kijken, die heden ten dage (en dat in tegenstelling tot Benjamins tijd) in toenemende mate gefaciliteerd wordt door technologische artefacten als smartphones, Apple Watches en Google Glass.

De moderne mensen, de barbaren, de inhalers, hebben dus een andere opvatting over waarheid, over betekenis dan de mensen die voor hen kwamen. Zij hebben een andere manier van in-de-wereld-zijn. Zij bewonen letterlijk een andere wereld.

Verder lezen
B: Baricco, A. (2006): I barbari. Saggio sulla mutazione. Milano:Feltrini.
BD: Visser, G.T.M. (1998): De druk van de beleving. Filosofie en kunst in een domein van overgang en ondergang. Amsterdam:SUN.
EV: Boomkens, R. (2011): Erfenissen van de verlichting. Basisboek Cultuurfilosofie. Amsterdam:Boom.
KP: Sloterdijk, P. (2006): Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering. (Uit het Duits vertaald door Hans Driessen). Amsterdam:SUN.
KZTR: Benjamin, W. (2007): Das Kunstwerk in Zeitalter seiner Technische Repoduzierbarkeit. Frankfurt aM: Suhrkamp Verlag.